1 & 2 Koningen | Bijbel in één jaar

Door Suzanne Struiksma

Het was nogal een klus, het lezen van 1 en 2 Koningen. Meestal, als ik de Bijbel lees, zoek ik naar inspiratie. Een tekst die eruit springt, een verhaal dat tot de verbeelding spreekt. Dat vond ik in deze hoofdstukken af en toe best lastig. Ze lezen niet echt als een spannend boek met een verhaallijn vol interessante plotwendingen: het is vooral een lange opsomming van wie het land allemaal hebben geregeerd. Dus veel ‘en toen deze koning overleed, kwam er een nieuwe koning, en na hem kwam er weer een andere’.

Echt fantastische exemplaren waren het meestal ook niet. Het begon met de eerste koning, David, nog wel redelijk – al was dat absoluut geen lieverdje, maar het lijkt wel of de koningen steeds slechter en wreder werden. Je leest voortdurend dingen als ‘die-en-die werd koning en hij deed wat slecht was in de ogen van de Heer.’

Zou God er spijt van gehad hebben? Ik vraag het me weleens af. Het was in eerste instantie niet eens Zijn idee om het volk een koning te geven. Ze hadden priesters, profeten en rechters. God was de enige ware Koning. Maar het volk was daar niet tevreden mee. Alle landen om hen heen hadden ook koningen. Ze wilden niet de uitzondering zijn. In 1 Samuël 8 wordt een heel gesprek tussen God en de profeet Samuël beschreven, waarin God het volk uiteindelijk hun zin geeft. Hij waarschuwt wel: als je een koning hebt, zal die wel oorlog willen voeren, (te)veel belasting heffen, mensen verplichten tot zware arbeid… “Maar als jullie het echt willen, dan mag het.”

In 1 en 2 Koningen zie je dat God is als een Vader die zijn puberkind moet loslaten. Kinderen moeten soms hun eigen fouten kunnen maken. En dan leven met de gevolgen daarvan. En het vereist haast bovennatuurlijke kracht om niet voortdurend te zeggen: “Zie je wel! Ik zei het toch!?”

Als je steeds kleine stukjes leest, is het best deprimerend. Maar wanneer je een stap terugdoet, een grote stap, dan lukt het misschien om het grote plaatje te zien. Dan zie je dat God het volk wel loslaat, maar niet in de steek laat. Soms werkt Hij door mensen heen, en soms werkt Hij juist ondanks ons.

Zie je de Bijbel als een soort gebruiksaanwijzing, een handleiding van hoe je het leven moet aanpakken, dan kom je met sommige Bijbelboeken bedrogen uit. Waarom zouden al deze verhalen dan toch verteld moeten worden? Kunnen we niet veel beter lezen over Gods liefde, over genade, over hoe we voor de wereld om ons heen moeten zorgen? Ik weet dat ik in ieder geval veel liever dat soort teksten lees. Maar net zoals je eigen levensverhaal vol zit met ups en downs, en je de mindere momenten niet kunt negeren, zo kun je ook niet zomaar een stuk geschiedenis van een volk ‘deleten’. Al is het maar om van je fouten te kunnen leren. Al is het maar om te kunnen zien dat God zo trouw is dat Hij Zijn grote reddingsplan niet in de prullenbak gooit.

Het einde van het boek is gelukkig niet het einde van het grote verhaal. Ik ben er heilig van overtuigd dat God in elk Bijbelboek Zelf uiteindelijk de grote held is. De held die betrokken blijft bij Zijn weerbarstige pubervolk. Die blijft spreken, blijft uitreiken, en hoop blijft houden.

Als ik met die bril op kijk naar deze ingewikkelde verhalen, kan ik op elke pagina iets van Zijn hart herkennen.