Ezra | Bijbel in één jaar

Door Annemiek Groeneweg

Hoe zou jij het vinden als Willem-Alexander in zijn kersttoespraak vertelt dat we allemaal honderd euro moeten geven aan vluchtelingen die een verwoeste moskee willen herbouwen in hun eigen land?

Dat is ongeveer wat de Perzische koning Cyrus doet. Hij wordt door God bewogen om een grote groep Israëlieten terug naar Jeruzalem te sturen, om daar te bouwen aan Gods tempel. Maar hoe bouw je daar een tempel zonder vervoersmiddelen, geld of bouwmateriaal? Daar weet Cyrus een oplossing voor! “Allen die hier nog als vreemdeling verblijven (…) dienen van hun medeburgers ondersteuning te krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Dit komt bovenop de vrijwillige gaven voor de tempel van de God die in Jeruzalem woont” (Ezra 1:4)

In Nederland kun je met zo’n verzoek wachten op nukkige reacties. In het rijk van Cyrus lijkt dit toch makkelijker te gaan: alle buren gaven wat de koning had bevolen. Zilver, goud, vee, kostbare geschenken: het leek wel pakjesavond! Koning Cyrus geeft zelf alles terug wat Nebukadnessar ooit uit de tempel in Jeruzalem meenam. Vóór de ballingschap waren al deze gouden en zilveren schalen, bekers en andere voorwerpen te vinden in de tempel van de Heer. Cyrus vond dat ze terug moesten naar die heilige plaats, nu de tempel opnieuw werd gebouwd.

De koning was ook gul in het aantal mensen dat hij liet vertrekken. De schrijver van Ezra houdt van feitjes, is te merken in de eerste hoofdstukken. We weten precies hoe groot deze nieuwe gemeenschap in Jeruzalem was (42.360), hoeveel slaven en slavinnen ze hadden (7337), hoeveel zangers en zangeressen er waren (200) en hoeveel paarden, ezels, kamelen en muildieren (8133) mee waren genomen. Dat moest wel een fantastische nieuwe tempel worden!

Voorzichtig begonnen de Israëlieten aan het altaar voor de nieuwe tempel. We lezen dat ze bang waren voor de inwoners van het land. Toch begonnen ze aan de bouw van dit heiligdom, op zijn oude fundamenten. Toen dit af was vierden ze Soekot (Loofhuttenfeest) en offerden ze weer dagelijks. Er stond nog geen steen van het fundament van de nieuwe tempel op de juiste plaats, maar toch eerden ze God op die aloude offerplaats weer dagelijks met hun gaven. Toen de fundamenten van de tempel waren hersteld was het tijd voor feest! De priesters en Levieten zongen de longen uit hun lijf voor de Heer: “Hij is goed en eeuwig duurt zijn trouw aan Israël” (Ezra 3:11). De ouderen, die de tempel nog in haar oude glorie kenden, waren echter verscheurd van verdriet: ze huilden en huilden, maar het gejubel van de anderen overstemde hun gejammer.

Enkele jaren later, onder de regering van de nieuwe koning Darius, lijken er problemen te ontstaan. Er worden gezanten naar Jeruzalem gestuurd om polshoogte te nemen: wie denken die Israëlieten wel niet dat ze zijn, om zomaar de tempel te herbouwen? Je ziet de droom van de nieuwe tempel al bijna instorten, maar gelukkig blijkt na onderzoek dat het gaat om een opdracht van koning Cyrus. Darius schrijft:

“Laat het werk aan de tempel van God ongestoord voortgang vinden. (…) En ik heb het bevel gegeven dat u de oudsten van de Judeeërs moet steunen bij de bouw van de tempel van God: zij moeten de kosten steeds volledig vergoed krijgen uit de koninklijke schatkist.”(Ezra 6:7-8)

De bouw van de tempel wordt voltooid in het zesde regeringsjaar van Darius. Alle Israëlieten, priesters, Levieten en de overige mensen die met hen terugkeerden vierden de inwijding van Gods tempel. Ze brachten offers, zongen, dansten en vierden het feest van het Ongedesemde brood, want God had hen geholpen met de wederopbouw van de tempel!

Hoera! De tempel is eindelijk af, daar hebben we een paar blogs over gedaan 😉 Betekent dit dan een happy end? Ja en nee. Het verhaal over de nieuwe tempel en de stad Jeruzalem gaat namelijk nog verder. Dit lees je in de blog over Nehemia, en natuurlijk in je Bijbel.